‘Inzet ervaringsdeskundigen is niet los te zien van een transformatie van de zorg’

‘Inzet ervaringsdeskundigen is niet los te zien van een transformatie van de zorg’

De inzet van ervaringsdeskundigheid is inmiddels breed geaccepteerd. Maar op het gebied van de implementatie zijn er nog vele uitdagingen, vindt Martijn Kole, onder andere mede-oprichter van het Enik Recovery College. ‘Er wordt vaak vergeten dat de inzet van ervaringsdeskundigheid om een verandering van iedereen in de organisatie vraagt.’

Martijn Kole heeft ruime ervaring met ‘psychiatrische ontwrichtingen’, zoals hij het zelf omschrijft. Ooit zag hij zichzelf, net als de ggz-hulpverlening destijds, als een hulpbehoevend mens met een ernstige ziekte en weinig toekomstperspectief. Zo’n twintig jaar geleden wist hij zich aan dat stigma te ontworstelen met behulp van de opkomende cliëntenbeweging die opriep tot een andere benadering.

Machine

‘Het smalle, medisch, georiënteerde perspectief van de hulpverlening leidde tot een vervreemding van de sociale context waarin mensen leefden’ licht hij toe. ‘Er werd gezegd: “Jij hebt deze aandoening en wij hebben op school geleerd dat deze behandeling dan passend is.” Cliënten hadden soms het gevoel een machine te zijn die door een wasstraat werd gehaald. Bovendien waren de behandelingen zeker niet altijd effectief. Toen wij vanuit de cliëntenbeweging met elkaar gingen praten over wat herstel voor ons betekent, bleek dat we een heel ander verhaal hadden.’

Eigen regie

Wat de cliëntbeweging onder andere voor ogen had (en heeft), is hulpverlening vanuit een breder perspectief met meer oog voor het specifieke verhaal van de cliënt. De cliënt moet ruimte krijgen om zelf de regie over het herstelproces en het eigen leven te herpakken en te achterhalen wat voor hem of haar belangrijk is. Ervaringsdeskundigen spelen een belangrijke rol in dat proces. Kole: ‘Door te delen en te reflecteren over hoe je zelf hebt gehandeld, bied je meerdere perspectieven, waarvan de klassieke hulpverlening er een is. Dan gaan mensen zelf nadenken: hoe heb ik dat ervaren? En wat zou voor mij een optie kunnen zijn?’

Verandering

Kole is zelf ervaringsdeskundige. Hij werkte, onder andere, achttien jaar als adviseur van de Raad van bestuur van Lister, is medeoprichter van het Enik Recovery college en Associate member van Movisie. Als het gaat om de inzet van ervaringsdeskundigheid, is er zeker iets veranderd in de afgelopen twintig jaar geleden, vindt hij. ‘Ervaringsdeskundigheid wordt inmiddels breed gezien als een waardevolle toevoeging aan het hulpaanbod. Niet alleen in de ggz, maar ook in bijvoorbeeld de gehandicaptenzorg, de vrouwenopvang en de zorg voor kankerpatiënten. De ervaringen zijn ook aardig vertaald naar onder meer geschikte competentieprofielen, opleidingen en onderzoek naar helpende factoren.’

Martijn Kole is, naast onder meer sociaal wetenschapper en ervaringsdeskundige Wilma Boevink en Annemoon van Noorden, projectleider bij Moviera, een van de sprekers op het Zorg+Welzijn Jaarcongres Ervaringsdeskundigheid in het sociaal domein op dinsdag 20 september. Meer info of aanmelden >>

Hulpverlening complexer

‘Ervaringsdeskundigheid inzetten, is spannend. Je kunt het niet isoleren van de hele context waarin ook hulpverleners en naasten zitten. Het is het makkelijkste om te zeggen: “Dit doen we en daar moeten jullie inpassen.” Maar ervaringsdeskundigheid roept, onder meer, op tot het empoweren van cliënten en het beter aansluiten bij de leefwereld en het netwerk. Dan wordt hulpverlening geven per definitie complexer. Zo kunnen hulpverleners te maken krijgen met mondigere cliënten en naasten die zeggen dat ze niet meer willen doen wat zij zeggen.’

Schuring

Ervaringsdeskundigen krijgen nu niet altijd de kans om hun rol volledig te vervullen. Volgens Kole worden ze soms een beetje weggestopt. Of gedwongen om weer te gaan werken volgens de bestaande kaders. In andere situaties worden de twee werelden van de formele hulpverlening en de ervaringsdeskundigheid zoveel mogelijk gescheiden gehouden. Kole: ‘En dat gaat schuren. Dan ontstaat er een strijd of een “wij-zij cultuur” waarin ervaringsdeskundigen geïsoleerd raken.’

Transformatie

Volgens Kole is een goede implementatie van ervaringsdeskundigheid niet los te zien van een transformatie van de zorg. Het gaat om een bredere visie op zorg en herstel waarbij de formele hulpverlening niet meer centraal staat. ‘Belangrijk is dat er ruimte wordt gemaakt in de bestaande kaders en systemen’, vervolgt hij. ‘Die systemen kunnen heel erg bepalend en knellend zijn.’

Op alle niveaus

Beter aansluiten bij de cliënt is echter niet alleen een taak voor ervaringsdeskundigen, maar een verantwoordelijkheid van alle medewerkers. Om dit proces goed te laten verlopen, zouden ervaringsdeskundigen op alle niveaus van de organisatie aanwezig moeten zijn en daar goed begeleid moeten worden, vindt hij. Toen Kole ervaringsdeskundig adviseur van de Raad van Bestuur van Lister was, heeft hij zelf ervaren hoe belangrijk de steun vanuit de hoogste regionen was. ‘Ik was ook kritisch naar de organisatie toe. En toen begonnen sommige mensen aan mijn stoelpoten te zagen. Dat zie je vaker als ervaringsdeskundigheid wordt ingezet. Medewerkers kunnen geraakt worden in de betekenis die zij aan hun werk geven. Daarom is het belangrijk om niet alleen de ervaringsdeskundigheid, maar ook het verdragen van de meerstemmigheid te implementeren.’

Opener zijn

Ook binnen teams zou er op een andere manier gewerkt en met elkaar omgegaan moeten worden. Medewerkers zouden opener moeten zijn over wat er in hen leeft en wat het werk bij hen oproept. Volgens Kole is dat nodig om goed hulp te verlenen. ‘Anders projecteer je wat er binnen in je leeft op de cliënt. En dat is niet hoe ervaringsdeskundigen werken’, vervolgt hij. ‘Als je die manier van werken afwijst als reguliere hulpverlener, kan de ervaringsdeskundige niet binnen het team functioneren. Daarom zouden organisaties zich moeten afvragen: hebben we wel zicht op wie er bij ons werkt? Medewerkers die niet mee willen gaan met deze ontwikkelingen, horen wellicht niet meer bij de instelling thuis.’

Bron: Zorg & Welzijn