DSM-criteria

DSM-criteria

Een overzicht van de criteria voor dissociatieve stoornissen, zoals vermeld in de DSM-IV-TR:

Dissociatieve amnesie (Dissociative Amnesia)

  • De belangrijkste stoornis bestaat uit één of meer episodes van onvermogen zich belangrijke persoonlijke gegevens te herinneren, meestal van traumatische of stressveroorzakende aard, die te uitgebreid is om verklaard te kunnen worden door gewone vergeetachtigheid.
  • De stoornis komt niet uitsluitend voor in het beloop van een ‘dissociatieve identiteitsstoornis’, ‘dissociatieve fugue’, ‘posttraumatische stress-stoornis’, ‘acute stress-stoornis’ of ‘somatisatiestoornis’ en is niet het gevolg van de direkte fysiologische effecten van een middel [bv. drug, geneesmiddel] of een neurologische of andere somatische aandoening [bv. amnestische stoornis als gevolg van een schedeltrauma].
  • De symptomen veroorzaken in significante mate lijden of beperkingen in het sociaal of beroepsmatig functioneren of het functioneren op andere belangrijke terreinen.

Dissociatieve fugue (Dissociative Fugue)

  • De belangrijkste stoornis bestaat uit het plotseling en onverwacht op reis gaan, weg van huis of de gebruikelijke werkplek, met het onvermogen zich het eigen verleden te herinneren.
  • Verwarring over de eigen identiteit of het aannemen van een nieuwe identiteit [gedeeltelijk of geheel].
  • De stoornis komt niet uitsluitend voor in het beloop van een dissociatieve identiteitsstoornis en is niet het gevolg van de direkte fysiologische effecten van een middel [bv. drug, geneesmiddel] of een somatische aandoening [bv. temporaalkwab epilepsie].
  • De symptomen veroorzaken in significante mate lijden of beperkingen in het sociaal of beroepsmatig functioneren of het functioneren op andere belangrijke terreinen.

Dissociatieve identiteitsstoornis (Dissociative Identity Disorder)

  • De aanwezigheid van twee of meer scherp van elkaar te onderscheiden identiteiten of persoonlijkheidstoestanden [elk met een eigen betrekkelijk langdurig patroon van het waarnemen van, het omgaan met en het denken over de omgeving en zichzelf].
  • Ten minste twee van deze identiteiten of persoonlijkheidstoestanden bepalen geregeld het gedrag van betrokkene.
  • Onvermogen zich belangrijke persoonlijke gegevens te herinneren dat te uitgebreid is om verklaard te kunnen worden door gewone vergeetachtigheid.
  • De stoornis is niet het gevolg van de direkte fysiologische effecten van een middel [bv. blackouts of chaotisch gedrag tijdens een alcoholintoxicatie] of een somatische aandoening [bv. complexe partiële insulten]. N.B.: Bij kinderen zijn de symptomen niet toe te schrijven aan denkbeeldige speelkameraadjes of andere fantasiespelletjes.

 Depersonalisatiestoornis (Depersonalization Disorder)

  • Aanhoudende of recidiverende belevingen van het gevoel los te staan en externe waarnemer te zijn van de eigen geestelijke processen of het eigen lichaam [bv. het gevoel alsof alles in een droom gebeurt].
  • Tijdens de beleving van de depersonalisatie blijft de ‘reality testing’ intact.
  • De depersonalisatie veroorzaakt in significante mate lijden of beperkingen in het sociaal of beroepsmatig functioneren of het functioneren op andere belangrijke terreinen.
  • De beleving van depersonalisatie komt niet uitsluitend voor in het beloop van een andere psychische stoornis zoals schizofrenie, paniekstoornis, acute stress-stoornis of een andere dissociatieve stoornis en is niet het gevolg van de direkte fysiologische effecten van een middel [bv. drug, geneesmiddel] of een somatische aandoening [bv. temporaalkwab epilepsie].

Dissociatieve stoornis NAO (Dissociative Disorder NOS)

Deze categorie is opgenomen voor stoornissen waarbij het belangrijkste kenmerk een dissociatief symptoom is [d.w.z. een verstoring van de gewoonlijk geïntegreerde functies van bewustzijn, geheugen, identiteit of waarneming van de omgeving] dat niet voldoet aan de criteria voor een specifieke dissociatieve stoornis. Tot de voorbeelden behoren:

  • Beelden die lijken op de dissociatieve identiteitsstoornis maar die niet voldoen aan alle criteria voor deze stoornis. Tot de voorbeelden horen beelden waarbij:
    • er geen twee of meer scherp van elkaar te onderscheiden identiteiten of persoonlijkheidstoestanden zijn
    • amnesie voor belangrijke persoonlijke gegevens niet voorkomt
  • Derealisatie niet vergezeld door depersonalisatie bij volwassenen
  • Dissociatieve toestanden, die voorkomen bij personen die langdurig en intensief onderworpen waren aan gedwongen intense beïnvloeding [bv. hersenspeoling, heropvoeding of indoctrinatie als gevangene
  • Dissociatieve trancestoornis: Eenmalige of episodische stoornissen in het bewustzijn, identiteit of geheugen die op bepaalde plaatsen en culturen inheems zijn. Bij dissociatieve trance is er sprake van een vernauwing van het besef van de direkte omgeving of stereotype gedragingen of bewegingen die beleefd worden als buiten de eigen controle te liggen. Bij bezetenheidstrance is er sprake van de vervanging van het normale besef van de eigen identiteit door een nieuwe identiteit, hetgeen toegeschreven wordt aan de invloed van een geest, macht, godheid, of ander persoon en gaat samen met stereotype ‘onwillekeurige’ bewegingen of amnesie. Tot de voorbeelden horen:
    • ‘amok'[Indonesië]
    • ‘bebainan’ [Indonesië]
    • ‘latah’ [Maleisië]
    • ‘pibloktoq’ [Noordelijke poolstreken]
    • ‘ataque de nervios’ [Latijns-Amerika]
    • bezetenheid [India]

De dissociatieve stoornis of trancestoornis is niet een normaal fenomeen van een breed geaccepteerde collectief cultureel of religieus gebruik.

  • Verlies van bewustzijn, stupor of coma niet toe te schrijven aan een somatische aandoening.
  • Ganser-syndroom: Het geven van ‘er-net-naast-antwoorden’ [bv. 2 plus 2 is 5], voor zover het niet samengaat met dissociatieve amnesie of dissociatieve fugue.