Handvatten voor naasten en professionals

Een dissociatieve stoornis gaat vaak gepaard met andere psychische en lichamelijke symptomen. En net zoals mensen in de maatschappij onderling verschillen, verschillen mensen met een dissociatieve stoornis en waar hun kracht en problemen liggen. Maatwerk is dan ook het belangrijkste devies. Tijd nemen, goed doorvragen, luisteren en niet veroordelen zijn van onschatbare waarde.

Het leven met een dissociatieve stoornis is dikwijls geen eenvoudige opgave en gaat vaak gepaard met diepe eenzaamheid en schaamte. De meeste personen proberen lange tijd een normaal leven te leiden, met studie, werk en relaties. Een belangrijk kenmerk van mensen met dissociatieve stoornissen is dat zij experts zijn in het verbergen van hun eigen ellende. Afhankelijk van de ernst van de klachten (en bijkomende problematiek) kan dit lange tijd goed gaan en slagen mensen er in om hun dissociatieve  symptomen/ stoornis te verbloemen voor de buitenwereld. Totdat dit niet meer lukt en zij hulp nodig hebben.

Belangrijke aspecten in de omgang met mensen met vroegkinderlijke en/of chronische traumatisering en dissociatieve stoornissen | Voor naasten en hulpverleners

Veiligheid bieden

  • Maak duidelijke afspraken en kom ze na. Wanneer je afspraken niet (meer) kunt nakomen, wees dan open en eerlijk. Dit draagt bij aan het vertrouwen.
  • Praat met elkaar over persoonlijke grenzen en beschikbaarheid. Het helpt ook om wederzijdse grensoverschrijdingen met elkaar te kunnen bespreken.
    Respecteer grenzen en gebruiken van de persoon ook als je het niet snapt of raar vindt. Je mag natuurlijk wel om uitleg vragen. Wees eerlijk over jouw eigen grenzen, dat geeft namelijk ook duidelijkheid.
  • Dwing niet om over traumatische herinneringen te vertellen. Biedt daar wel de ruimte voor, maar laat het initiatief bij de persoon zelf. Vraag wel actief naar het bestaan ervan, in het bijzonder als je therapie geeft. Wil de persoon niet antwoorden vraag dan of deze er liever (nu) niet over praat en accepteer het antwoord.
  • Onderzoek samen wat kan helpen om een situatie veilig te maken of te houden: bijvoorbeeld het meenemen van een knuffel, het maken van een veiligheidstasje met spulletjes erin om in het hier-en-nu te blijven of komen, ankers zoeken om de aandacht op te vestigen (een anker is een specifiek voorwerp, woord of gedachte, die verbonden is aan een positief gevoel en behulpzame gedachten). Gebruik je zintuigen (zien, voelen, horen, ruiken) om de aandacht te verleggen, spreek een woord of gebaar af voor moeilijke situaties, waneer iemand misschien niet meer in staat is om duidelijk om hulp te vragen.
  • Help je partner, vriend(in), cliënt om in het hier en nu te blijven door te vertellen dat het veilig is, welk jaar het is, waar jullie zijn, wie jij bent en waarom jullie daar zijn, en vermijd daarbij onverwachte aanrakingen.
  • Conflicten kunnen moeilijk zijn, maar het is belangrijk om ze niet te vermijden. Geef heldere ik-boodschappen over wat je wel en niet prettig vindt. Bij DIS en AGDS: wees erop voorbereid dat dit soms kan leiden tot switchen (= schakelen naar dissociatieve toestand/deel) of uit contact gaan. Help dan weer om in het hier en nu terug te komen.
  • Biedt je kortdurend hulp in een noodsituatie? Draag de hulp dan zorgvuldig over, blijf bij de persoon totdat je zeker weet dat de andere hulp ook echt aanwezig is en de persoon in veiligheid is.
  • Leer triggers herkennen en vraag hoe je iemand kunt helpen. Een trigger is alles wat een traumatische herinnering activeert. Dat kan een geluid, geur, beeld, woord, gevoel, kleur, gedrag, stem of eigenlijk alles zijn in de omgeving. Zelfs een innerlijke gedachte kan dit oproepen.

Vertrouwen bieden, opbouwen en vasthouden

  • Houd je aan afspraken, doe wat je zegt dat je zult doen. Wijzigt er iets, vertel dit dan tijdig. En houd er rekening mee dat je dit een keer of vaker moet herhalen.
  • Praat niet over iemands problematiek zonder dat iemand dat weet en daar toestemming voor heeft gegeven. Je kunt wel jezelf als naaste helpen door een vertrouwenspersoon te kiezen, of zelf hulp te vragen.
  • Luister en veroordeel niet. Begrijp je iets niet? Vraag het aan de persoon om wie het gaat, of zoek meer informatie, bijvoorbeeld in boeken.
  • Regie van en voor behandeling ligt bij de cliënt. Inspraak is van groot belang, zeker wanneer er meerdere hulpverleners betrokken zijn. Beslis mét de cliënt, niet over hem/ haar, en wees zo transparant mogelijk over de keuzes die je maakt.
  • Veel mensen met een dissociatieve stoornis en/ of die vroegkinderlijk getraumatiseerd zijn, voelen veel schaamte. Dit kan als gevolg hebben dat iemand zich terugtrekt of niet open durft te zijn.
  • Wanneer je met iemand woont of werkt met een dissociatieve stoornis: vraag altijd of je binnen mag komen en kondig je bezoek aan, tenzij er een noodsituatie is. Voorspelbaarheid kan helpen om rust en veiligheid te bieden.
  • Het is niet altijd zichtbaar hoe het met iemand gaat of dat iemand dissocieert. Vraag eventueel of jouw indruk klopt: "Het lijkt of je je beter voelt dan vorige week. Is dat ook zo?"

Samenwerking op basis van respect en gelijkwaardigheid

  • Voor zorgverleners: maak in rustige perioden een plan hoe je (deze) cliënt in dissociatie kunt helpen er weer uit te komen. Praat/ beslis mét de cliënt, in plaats van over de cliënt, en bespreek ook wat er nodig is wanneer iemand in crisis raakt. Evalueer na een crisis wat hielp en wat juist niet.
  • Zelfstandigheid waar het kan, hulp waar het moet: maak hier een concreet en praktisch uitvoerbaar plan voor, in kleine haalbare stappen. Betrek hier ook het netwerk in als dat aanwezig is.
  • Zorg voor jezelf; je hoeft niet perfect te zijn, dat is niemand. Aarzel niet om zelf hulp te vragen als je dat nodig hebt.
  • Vergeet de leuke en 'gewone' dingen niet. Onderneem leuke activiteiten en maak plannen samen. Afleiding kan heel behulpzaam en fijn zijn.
  • Vraag hoe de persoon aangesproken wil worden, in het geval van DIS: met je/jij of met jullie en eventueel welke naam. Vooral in de beginfase van een behandeling kan het voor een persoon lastig zijn om zichzelf als een volledig ‘ik’ te beleven.
  • Voor mensen die zichzelf beleven als bestaand uit meerdere delen of personen, kan het zijn dat deze delen ook verschillende namen hebben. Het is van belang dit te accepteren en respecteren, ook al vind je het soms lastig - dat is niet erg. Binnen het overlevingssysteem hebben deze delen namelijk een zeer belangrijke functie (gehad). Bedenk je dat het heel veel moed vergt om te durven spreken over dat je je zelf zo ervaart van binnen! Erken dus het bestaan van deze delen en hun naam, en zoek samen met ‘de hoofdpersoon’ naar een passende manier om deze hoofdpersoon regie te laten houden/ voeren over al de delen.

Fysiek contact

  • Raak niet zomaar iemand aan. Voor mensen die getraumatiseerd zijn, kan dit een schrikreactie, verwarring en angst oproepen. Vraag wat iemand zelf prettig vindt, en benoem wat je zelf zou willen.
  • Ben je arts of hulpverlener en is aanraking of fysieke nabijheid noodzakelijk bij behandeling? Leg uit wat je doet, en vraag wat iemand nodig heeft. Spreek zo nodig een stopsignaal af (bijvoorbeeld bij de tandarts). Vertel stap voor stap wat je gaat doen. Bij bijvoorbeeld lichamelijk onderzoek is het extra belangrijk de tijd te nemen in de voorbereiding en te vertellen wat je gaat doen en waarom, en wat je verwacht. Voorlichting voorafgaand aan de behandeling is cruciaal.
  • Het is niet altijd zichtbaar dat iemand last heeft van onverwachte aanrakingen of fysieke nabijheid. Het kan ook per situatie wisselen.
  • Ga er niet van uit dat fysiek contact wel (of juist niet) goed is, en vraag ook of iemand bijvoorbeeld behoefte heeft aan een knuffel of arm om zich heen. Belangrijk is natuurlijk wel dat dit voor jou ook goed voelt.
  • Voor hulpverleners: vraag of iemand bezwaar heeft tegen behandeling door een man of vrouw, of dat er een voorkeur is. Als dat in een specifieke situatie niet mogelijk is, benoem dat. Noteer iemands voorkeur in het dossier.
  • Accepteer een begeleider (dat kan ook een hulphond zijn) bij de onderzoeken en behandelingen. Indien mogelijk: ga niet uit van protocollen, maar wees creatief in het vinden van oplossingen om het gevoel van veiligheid zo groot mogelijk te maken tijdens behandelingen en onderzoeken.

Ondersteuning identiteitsopbouw

  • Mensen met een dissociatieve stoornis zijn vaak door hun trauma’s belemmerd om hun talenten te ontplooien. Stimuleer hen te onderzoeken wat hen boeit en waar hun talent ligt, en hoe ervaringen verbondener kunnen worden.
  • Zelfvertrouwen en zelfcompassie leren krijgen is belangrijk voor identiteitsontwikkeling. Ieder mens leert dit door wat hij/ zij in z'n omgeving hoort.

Tot slot: genezen van een dissociatieve stoornis is niet makkelijk en duurt lang, maar is wel mogelijk!