Diagnose & behandeling

Diagnose

Een dissociatieve stoornis wordt gediagnosticeerd door een psychiater of psycholoog. De belangrijkste methode om dit te onderzoeken is door middel van psychologische testen (bijvoorbeeld de SCID-D) in combinatie met gesprekken. In de praktijk blijken veel lotgenoten al meerdere diagnoses (bijvoorbeeld sociale fobie, AD(H)D, borderline, bipolaire stoornis of een posttraumatische stress-stoornis) te hebben gekregen voor zij te horen krijgen dat er hoogstwaarschijnlijk sprake is van een dissociatieve stoornis.

Diagnoses en de DSM

In Nederland en België wordt voor de diagnosestelling vrijwel altijd gebruik gemaakt van de criteria in de DSM (Diagnostic and Statistical Manual of Mental Disorders). In 2014 is de nieuwste versie, de 5e editie, uitgekomen in Nederland. Daar worden vijf verschillende diagnoses onderscheiden waarvan dissociatie het centrale kenmerk is, namelijk:

  1. Dissociatieve Identiteitsstoornis (DIS)
  2. Dissociatieve amnesie
  3. Depersonalisatie-derealisatie stoornis
  4. Andere gespecificeerde dissociatieve stoornis (AGDS). Deze bestaat uit vier verschillende subtypen, namelijk:
    1) Met chronische en recidiverende symdromen (verwant aan DIS)
    2) Identiteitsstoornis door langdurige en intense gedwongen gedachtenbeïnvloeding. Dit geeft klachten van langdurige verandering in, of grote twijfel over de identiteit.
    3) Acute dissociatieve reacties op stressvolle gebeurtenissen. Korte voorbijgaande aandoeningen, meestal minder dan een maand of slechts een paar uur of enkele dagen.
    4) Dissociatieve trance. Een acute bewustzijnsvernauwing of compleet verlies van bewustzijn van de directe omgeving.
  5. Ongespecificieerde dissociatieve stoornis

Een uitgebreide beschrijving van alle diagnoses en hun kenmerken zoals ze in de DSM-5 staan, vind je hier.
Wil je achtergrondinformatie over de DSM en diagnostiek? Op deze site lees je er meer over.

Psychologisch onderzoek: hoe gaat dat?

Het diagnostisch onderzoek bestaat uit gesprekken en vragenlijsten, en moet worden uitgevoerd door deskundige, ervaren psychologen of psychiaters, en beslaat vaak meerdere sessies. Dissociatie kan ook een symptoom zijn bij andere psychiatrische stoornissen zoals PTSS, angststoornissen en de borderline persoonlijkheidsstoornis, dus het is belangrijk dat een behandelaar ook kennis heeft over dissociatieve stoornissen om een zo goed mogelijk beeld te vormen en gerichte vragen te kunnen stellen. Wanneer je zelf een diagnostisch onderzoek ondergaat, zal de uitslag met je besproken worden. Je kunt dan jouw visie geven op wat de onderzoeker heeft geconcludeerd en vragen stellen. Als je het prettig vindt, mag je iemand meenemen. Meestal wordt in zo'n gesprek ook met je besproken wat de behandelmogelijkheden zijn. Je mag zelf bepalen of je een behandeling wel of niet wilt volgen.

Complicerende factoren bij diagnostiek en behandeling

Zowel de persoon die onderzocht wordt als de onderzoeker moeten tijd en energie steken in het creëren van vertrouwen in elkaar, zodat er zo veel mogelijk relevante informatie wordt gedeeld en de meest passende diagnose (en behandeling) kan worden gekozen. Dit is zeker het geval wanneer iemand vroegkinderlijk getraumatiseerd is geraakt en er sprake is van complex trauma. Onder meer schaamte, wantrouwen en angst kunnen een grote invloed hebben op wat er wel of niet verteld wordt. Veel lotgenoten vertellen ook dat het verschil tussen wat er aan de buitenkant zichtbaar is en wat zij van binnen ervaren, groot kan zijn. 

Iemands behandelgeschiedenis kan ook van invloed zijn op het vertrouwen in de hulpverlening. Veel mensen die uiteindelijk gediagnostiseerd worden met een dissociatieve stoornis, hebben al meerdere behandelingen en onjuiste of onvolledige diagnoses gekregen. Andersom gebeurt ook: iemand heeft een passende diagnose en behandeling gekregen, maar wanneer de behandeling voortijdig onderbroken moet worden, kan een (nieuwe) behandelaar besluiten dat er andere behandeling nodig is of dat de patiënt niet gemotiveerd is omdat er te weinig vooruitgang zichtbaar is. Geduld, investeren in de relatie en afstemming is vaak essentieel.

In het bijzonder bij DIS is het niet ongewoon dat iemand al jaren in de GGZ heeft gezworven eer de juiste diagnose wordt gesteld. Dit brengt vaak een een verhoogd suïciderisico met zich mee, verergering van klachten en het onnodig behoefte hebben aan diverse andere (dure) vormen van somatische en psychische zorg. Terwijl met een tijdige diagnosestelling en passende zorg mensen met vroegkinderlijk en/ of complex trauma zeer goed kunnen herstellen. (Bron: o.a. Bessel van der Kolk, Onno van der Hart, Suzette Boon, Kathy Steel, Ellert Nijenhuis, ISST-D, ACE-studie, Peter Levine, Patty Ogden, Vincent Filleti, Franz Ruppert e.a.). Omdat het voor de meeste mensen met een dissociatieve stoornis ook nog eens lastig is hun klachten goed te duiden, naast de angst en schaamte die een rol spelen, duurt het lang voor een goede diagnose gesteld wordt. Daarom wordt ook wel gesproken over een proces- of werkdiagnose. Afhankelijk van het soort dissociatieve stoornis zijn de behandelingen langdurig, minimaal 10 jaar en intensief.

Behandeling

Effectieve behandeling voor dissociatieve stoornissen kan bestaan uit een combinatie van verschillende methoden, maar omvat altijd psychotherapie, bij voorkeur door een deskundige op het gebied van psychotrauma en disscociatieve stoornissen. Vaak is dit individuele therapie, maar ook groepstherapie is mogelijk, al dan niet in aanvulling op elkaar. Bij instellingen is soms gerichte deeltijdbehandeling mogelijk. Medicatie kan deel zijn van de behandeling om bepaalde klachten (zoals slapeloosheid of depressiviteit) te verminderen. Er bestaat echter geen medicijn dat dissociatie opheft.

Onderzoek door onder andere Bessel van der Kolk toont aan dat lichaamsgerichte therapie in combinatie met praat-therapie wezenlijk kan bijdragen aan herstel. Het doel van therapie wordt altijd vastgesteld in samenspraak met de cliënt, maar vaak is het bevorderen van integratie van gevoelens, gedachten, waarnemingen en herinneringen deel van de aanpak. Bij de depersonalisatie-derealisatiestoornis kan het bijvoorbeeld een belangrijk subdoel zijn om meer contact te ervaren met het eigen lichaam of de wereld om zich heen. Bij de dissociatieve identiteitsstoornis is er vaak ook een focus op het leren benoemen en verdragen van tegenstrijdige gedachten en gevoelens. Waar nodig het integreren van verschillende bewustzijnsinhouden, om meer eenheid van de persoonlijkheid teweeg brengen, interne orde te versterken en ontwrichting op het werk, in het sociale leven en thuis tegen te gaan.

Drie-fasenmodel

Bij de behandeling van aan trauma gerelateerde stoornissen en DIS wordt in de meeste gevallen uitgegaan van een benadering die gericht is op drie fasen, namelijk:

  1. Symptoomreductie en stabilisatie, zodat de patiënt weerbaarder wordt en de taken die bij het dagelijks leven horen beter aan kan.
  2. Behandeling van traumatische herinneringen als dit mogelijk is, en deze wordt steeds afgewisseld met stabilisering.
  3. Reïntegratie. De behandeling is er op gericht de patiënt een nieuwe levensstijl te laten ontwikkelen, een stijl die hoort bij een geïntegreerde persoonlijkheid. Deze fase wordt waar nodig opnieuw afgewisseld met de eerdere fases.

In lang niet alle gevallen is het echter voor iedereen mogelijk of wenselijk om alle drie de fasen te doorlopen. Veel patiënten met een DIS of AGDS, vinden het behulpzaam om ook in de stabiliteitsfase de verschillende persoonlijkheidsdelen in de therapie te betrekken. Een behandeling die alleen is gericht op symptoombestrijding wordt door veel van hen beleefd als ‘een verbod om te praten’ of ‘zich niet mogen uiten’. Soms wordt ook gekozen voor een behandeling van individuele psychotherapie in combinatie met een lichaamsgerichte therapie of creatieve therapie.

EMDR

EMDR is momenteel de meestgebruikte therapeutische methode om trauma te behandelen. Maatwerk bij dissociatieve stoornissen is voor het toepassen van deze methode van essentieel belang, en moet bij voorkeur ingebed in een bredere behandeling plaatsvinden (bron). Lotgenoten met positieve ervaringen beschrijven het vaak als een zeer intensieve, maar werkzame methode waardoor zij in het dagelijks leven minder getriggerd worden.

Rechten en plichten

Zowel behandelaar als cliënt hebben rechten en plichten.

  • De Landelijke Vereniging voor Vrijgevestigde Psychotherapeuten (LVVP) heeft een overzichtelijke patiëntenfolder gemaakt.
    Ook heeft zij uitgebreide informatie over de wetten, regels en beroepscodes van (vrijgevestigd) psychologen.
  • Psycholoog is een beschermde titel, die alleen mag worden gevoerd door een universitair opgeleid behandelaar. Dit in tegenstelling tot de term 'therapeut': veel therapeuten hebben een HBO-opleiding, maar in principe mag iedereen zichzelf therapeut (of coach) noemen. Hier wordt het verschil uitgebreider uitgelegd. We raden aan om bij de keuze van een behandelaar ook te kijken naar iemands opleiding en ervaring, en of iemand aangesloten is bij een beroepsvereniging met een onafhankelijke klachtencommissie.