DSM-5 criteria

De 5e editie van de Diagnostic and Statistical Manual of Mental Disorders (DSM) verscheen in 2014, en is de opvolger van de DSM-IV-TR. Het handboek wordt gebruikt in de Nederlandse GGZ als belangrijkste diagnostische referentie gebruikt. Een diagnose kan alleen worden gesteld door daartoe opgeleide en bevoegde psychologen en psychiaters. Vaak wordt een diagnose gebaseerd op de combinatie van gesprekken en psychologische testen. Belangrijk om te weten is, dat diagnoses in de DSM beschrijvend zijn, en niet verklarend. Een diagnose bestaat uit een constellatie van symptomen, maar is geen verklarende of onderliggende oorzaak op zichzelf.

In de DSM-5 zijn de volgende dissociatieve stoornissen en criteria opgenomen:

Dissociatieve identiteitsstoornis (DIS)

  • Fragmentatie van de identiteit gekenmerkt door twee of meer afzonderlijke persoonlijkheidstoestanden, wat in sommige culturen als een ervaring van bezetenheid wordt aangemerkt. De fragmentatie van de identiteit omvat een duidelijke discontinuïteit in de zelfbeleving en het gevoel van zelfcontrole, gepaard gaand met ermee samenhangende veranderingen in affect, gedrag, bewustzijn, geheugen, waarneming, cognitief en/ of sensomotorisch functioneren. Deze klachten en verschijnselen kunnen door anderen waargenomen zijn, of door de betrokkene zelf gerapporteerd.
  • Recidiverende hiaten in het herinneren van alledaagse gebeurtenissen, belangrijke persoonlijke informatie en/ of psychotraumatische gebeurtenissen die inconsistent zijn met gewone vergeetachtigheid.
  • De symptomen veroorzaken klinisch significante lijdensdruk of beperkingen in het sociale of beroepsmatige functioneren of het in het functioneren op andere belangrijke terreinen.
  • De stoornis maakt geen deel uit van een algemeen geaccepteerd cultureel of religieus gebruik. NB: Bij kinderen kunnen de symptomen niet beter worden verklaard door denkbeeldige vriendjes of andere fantasiespelletjes.
  • De symptomen kunnen niet worden toegeschreven aan de fysiologische effecten van een middel (zoals black-outs of chaotisch gedrag tijdens een alcoholintoxicatie) of aan een somatische aandoening (zoals complexte partiële convulsies).

Dissociatieve amnesie

  • Een onvermogen om zich belangrijke autobiografische informatie te herinneren, gewoonlijk psychotraumatisch of stressvol van aard, dat inconsistent is met gewone vergeetachtigheid. NB: Dissociatieve amnesie betreft meestal gelokaliseerde of selectieve amnesie voor een specifieke gebeurtenis of gebeurtenissen; of gegeneraliseerde amnesie voor de identiteit en de levensgeschiedenis.
  • De symptomen veroorzaken klinisch significante lijdensdruk of beperkingen in het sociale of beroepsmatig functioneren of in het functioneren op andere belangrijke terreinen.
  • De stoornis kan niet worden toegeschreven aan de fysiologische effecten van een middel (zoals alcohol, een drug of medicatie) of aan een neurologische of andere somatische aandoening (zoals complexe partiële convulsies, voorbijgaande globale amnesie, de gevolgen van een gesloten-schedelletsel/ traumatisch hersenletsel, een andere neurologische aandoening).
  • De stoornis kan niet beter worden verklaard door een dissociatieve identiteitsstoornis, een posttraumatische-stressstoornis, een acute stressstoornis, een somatisch-symptoomstoornis of een neurocognitieve stoornis.
  • Dissociatieve amnesie kan zowel met als zonder dissociatieve fugue gediagnostiseerd worden. Met dissociatieve fugue: ogenschijnlijk doelgericht reizen of verward dwalen dat samenhangt met amnesie voor de identiteit of voor andere belangrijke autobiografische informatie.

Depersonalisatie-/ derealisatiestoornis (DPDR)

  • De aanwezigheid van persisterende of recidiverende ervaringen van depersonalisatie, derealisatie, of beide:
    - Depersonalisatie. Ervaringen van onwerkelijkheid, vervreemding, of alsof de betrokkene zichzelf van buitenaf waarneemt, met betrekking tot de eigen gedachten, gevoelens, gewaarwordingen, het eigen lichaam of de eigen handelingen (zoals perceptie-veranderingen, een verstoord tijdgevoel, een onechte of afwezige zelfbeleving, emotionele en/ of lichamelijke gevoelloosheid).
    - Derealisatie. Ervaringen van onwerkelijkheid of vervreemding met betrekking tot de omgeving (mensen of voorwerpen worden bijvoorbeeld ervaren als onecht, als in een droom, wazig, levenloos of visueel vervormd).
  • Gedurende de ervaring van depersonalisatie en derealisatie blijft het realiteitsbesef intact.
  • De symptomen veroorzaken klinisch significante lijdensdruk of beperkingen in het sociale of beroepsmatige functioneren of in het functioneren op andere belangrijke terreinen.
  • De stoornis kan niet worden toegeschreven aan de fysiologische effecten van een middel (zoals een drug of medicatie) of aan een somatische aandoening (zoals convulsies).
  • De stoornis kan niet beter worden verklaard door een andere psychische stoornis, zoals schizofrenie, een paniekstoornis, een depressieve stoornis, een acute stressstoornis, een posttraumatische-stressstoornis of een andere dissociatieve stoornis.

Andere gespecificeerde dissociatieve stoornis (AGDS)

  • Deze classificatie is van toepassing op klinische beelden waarbij symptomen die kenmerkend zijn voor een dissociatieve stoornis klinisch significante lijdensdruk of beperkingen veroorzaken in het sociale of beroepsmatige functioneren of in het functioneren op andere belangrijke terreinen, maar die niet volledig voldoen aan de criteria voor een van de stoornissen in de categorie dissociatieve stoornissen. De classificatie andere gespecificeerde dissociatieve stoornis wordt gebruikt in situaties waarin de clinicus ervoor kiest om te vermelden wat de specifieke reden is waarom het klinische beeld niet voldoet aan de criteria voor een specifieke dissociatieve stoornis. Dat wordt gedaan door de specificatie 'andere gespecificeerde dissociatieve stoornis' te registreren, gevolgd door de specifieke reden (bijvoorbeeld 'dissociatieve trance'). De volgende voorbeelden van klinische beelden kunnen worden gespecificeerd door het predicaat 'andere gespecificeerde' te gebruiken:
  1. Chronische en recidiverende syndromen van gemengde dissociatieve symptomen. Deze categorie bestaat uit een identiteitsstooornis die samenhangt met minder duidelijke discontinuïteiten in de zelfbeleving en het gevoel van zelfcontrole, of identiteitsveranderingen of episoden van bezetenheid bij die iemand die geen dissociatieve amnesie rapporteert.
  2. Identiteitsstoornis door langdurig en intense gedwongen gedachtebeïnvloeding. Mensen die onderworpen zijn geweest aan intensieve gedwongen gedachtebeïnvloeding (zoals hersenspoeling of indoctrinatie tijdens gevangenschap, marteling of langdurige politieke opsluiting, of tijdens lidmaatschap van sekten of terreurorganisaties) kunnen klachten presenteren over langdurige verandering in, of grote twijfel over hun identiteit.
  3. Acute dissociatieve reacties op stressvolle gebeurtenissen. Deze categorie is bestemd voor acute, voorbijgaande aandoeningen die meestal minder dan één maand duren, en soms slechts een paar uur of dagen. Deze aandoeningen worden gekenmerkt door bewustzijnsvernauwing; depersonalisatie; derealisatie; dispercepties (zoals vertraagde tijd, macropsie); microamnesieën; voorbijgaande stupor; en / of veranderingen in het sensorisch-motorische functioneren (zoals analgesie, paralyse).
  4. Dissociatieve trance. Deze aandoening wordt gekenmerkt door een acute vernauwing of compleet verlies van het bewustzijn van de directe omgeving, die zich manifesteert als zeer ernstig gebrek aan responsiviteit of ongevoeligheid voor omgevingsprikkels. Het gebrek aan responsiviteit kan gepaard gaan met lichte motorische stereotypieën (zoals vingerbewegingen), waarvan de betrokkene zich niet bewust is en/ of die hij of zij niet kan beheersen, en met voorbijgaande paralyse of bewusteloosheid. De dissociatieve trance is geen normaal onderdeel van een algemeen aanvaard collectief cultureel of religieus gebruik.

Ongespecificeerde dissociatieve stoornis

  • Deze classificatie is van toepassing op klinische beelden waarbij symptomen die kenmerkend zijn voor een dissociatieve stoornis klinisch significante lijdensdruk of beperkingen veroorzaken in het sociale of beroepsmatige functioneren of in het functioneren op andere belangrijke terreinen , maar die niet volledig voldoen aan de criteria voor een van de stoornissen in de categorie dissociatieve stoornissen. De classificatie ongespecificeerde dissociatieve stoornis wordt gebruikt in situaties waarin de clinicus ervoor kiest om niet de reden te specificeren waarom het klinisch beeld niet voldoet aan de criteria voor een specifieke dissociatieve stoornis en hij of zij manifestaties beschrijft waarbij onvoldoende informatie beschikbaar is om een specifiekere classificatie toet te kennen (bijvoorbeeld op een spoedeisende-hulpafedeling).

[Bron: ‘Beknopt overzicht van de criteria DSM-5’ (verschenen in 2014)]