Depersonalisatie en derealisatie kunnen een symptoom zijn van een andere dissociatieve stoornis, zoals bij de dissociatieve identiteitsstoornis (DIS) en de dissociatieve stoornis niet anderszins omschreven (DSNAO). Na een (soms langdurige) therapie voor behandeling van DIS kan het 'switchen' sterk verminderen terwijl de depersonalisatie sterker op de voorgrond treedt.
Depersonalisatie komt als verschijnsel veel vaker voor dan alleen als dissociatieve stoornis.
Voorbeelden van ander stoornissen en problematieken waarbij depersonalisatie en derealisatie gediagnosticeerd worden zijn borderline persoonlijkheidsstoornis, angst- en paniekstoornissen, schizofrenie, obsessieve compulsieve stoornis, posttraumatische stressstoornis, epilepsie, etc. Men spreekt dan niet over depersonalisatie en derealisatie als een dissociatieve stoornis maar over een secundair symptoom.
Ook door het gebruik van bijvoorbeeld verdovende middelen kan een (chronische) depersonalisatie en/of derealisatie ontstaan.
Op dit moment bestaat er in Nederland nog geen specifieke behandeling gericht op de (chronische) depersonalisatie- en derealisatiestoornis, als dissociatieve stoornis. Er is op dat gebied nog vrij weinig wetenschappelijk onderzoek gedaan, gericht op de behandeling ervan. Wel gebruikt men elementen uit de behandeling die zich richt op DIS en DSNAO of andere methoden die zich richten op andere psychiatrische stoornissen. Dit is helaas nog vooral een trial-and-error benadering, zonodig gecombineerd met psychofarmaca. In tegenstelling tot ondermeer DIS zijn er indicaties dat sommige medicijnen soms een positief effect op de behandeling kunnen hebben.
Factoren die een behandeling verschillend kunnen maken zijn bijvoorbeeld het onderliggende trauma en middelenmisbruik; soms is er geen directe oorzaak vast te stellen.
Belastende leefomstandigheden zoals weining draagkracht hebben, alcohol- of drugsmisbruik, zelfverwonding, psychosomatische klachten, het hebben van een baan of gezien, enz. zijn ook van invloed.
Juist omdat er ook (in het merendeel van de gevallen waarin depersonalisatie wordt gediagnosticeerd) sprake kan zijn van symptomen die bij een andere stoornis of aandoening horen is een goede (dissociatieve) diagnose essentieel.
Depersonalisation, in: The Psychologist, vol. 14 no.3
Understanding and treating depersonalisation disorder, in: Advances in Psychiatric Treatment vol. 11, pp. 92-100
Feeling Unreal: A PET Study of Depersonalization Disorder, in: Am J Psychiatry 157, pp. 1782-1788