Een dissociatieve
stoornis bij kinderen vaststellen is heel lastig, vooral omdat
symptomen ook bij "normale" kinderen worden vastgesteld.
Het gaat erom te bepalen wat nog normaal gedrag is en waar een
grens wordt gepasseerd waardoor van een stoornis kan worden gesproken,
en behandeling gewenst is. De Child Dissociative Checklist is
de meest gezaghebbende checklist die als hulpmiddel hierbij kan
worden gebruikt, en bestaat uit een lijst van 20 vragen.
Deze lijst, ontwikkeld
door Frank Putnam, is niet zozeer bedoeld voor het stellen van
een diagnose DIS, mar eerder als een hulpmiddel om kinderen die
de genoemde gedragingen vertonen nader te onderzoeken, omdat het
vermoeden van een dissociatieve stoornis gerechtvaardigd is.Het
is de bedoeling dat de lijst wordt ingevuld door iemand die vertrouwd
is met het gedrag dat het betrokken kind in een aantal verschillende
situaties vertoont. Vaak zullen dat dus de ouders, pleegouders
of leerkrachten zijn.
In de instructies
bij de CDC staat aangegeven dat bij elke vraag gekozen moet worden
uit drie mogelijkheden:
2 = zeer juist
1 = enigszins juist of soms juist
0 = niet juist
Dat antwoord dat het gedrag van het kind
over de afgelopen twaalf maanden het best benadert moet omcirkeld
worden.
Een score van 12 of hoger betekent dat er zeer waarschijnlijk
sprake is van belangrijke dissociatieve symptomen.
Vragenlijst
Het kind ontkent of herinnert zich geen
traumatische of pijnlijke ervaringen waarvan bekend is dat deze
hebben plaatsgevonden.
Het kind raakt bij tijden in een verdoving
of trance-achtige toestand of lijkt vaak afwezig. Leerkrachten
rapporteren dat het regelmatig dagdroomt op school.
Het kind vertoont snelle persoonlijkheidswisselingen.
Het kan omslaan van verlegen naar extravert, van vrouwelijk naar
mannelijk gedrag, van timide naar agressief gedrag.
Het kind is ongewoon vergeetachtig of verward
over dingen die het zou moeten weten. Bijvoorbeeld: het vergeet
de namen van vrienden, leerkrachten of andere belangrijke mensen,
verliest spullen of verdwaalt snel.
Het kind heeft heel weinig gevoel van tijd.
Het verliest stukken tijd, denkt dat het ochtend is terwijl het
al middag is, raakt verward over wat voor dag het is of raakt
verward over wanneer iets gebeurd is.
Het kind vertoont van dag-tot-dag of zelfs
van uur-tot-uur duidelijke wisselingen in zijn/haar vaardigheden,
kennis, voedselvoorkeuren. Bijvoorbeeld: verschillen in handschrift;
het onthouden van eerder geleerde informatie, zoals tafels van
vermenigvuldiging, spelling; het gebruik van gereedschap of artistieke
vaardigheden.
Het kind vertoont snelle regressies in
leeftijd wat betreft zijn/haar gedrag. Bijvoorbeeld: een twaalfjarige
gebruikt kindertaal, zuigt op zijn/haar duim of tekent als een
vierjarige.
Het kind heeft het moeilijk met het leren
van ervaringen. Bijvoorbeeld: uitleg, normale correcties of straf
veranderen niets aan zijn/haar gedrag.
Het kind liegt voortdurend en ontkent wangedrag,
zelfs wanneer het bewijs duidelijk is.
Het kind verwijst naar hem- of haarzelf
in de derde persoon (bijvoorbeeld: als 'zij' of 'haar') wanneer
het over zichzelf praat, of wil soms per se bij een andere naam
genoemd worden. Het beweert zelfs dat dingen die het heeft gedaan
in werkelijkheid door een andere persoon zijn meegemaakt.
Het kind heeft snel veranderende lichamelijke
klachten, zoals hoofdpijn of een maag die van streek is. Bijvoorbeeld:
het kan het ene moment klagen over hoofdpijn en dit het volgende
moment al weer vergeten zijn.
Het kind is op seksueel gebied ongewoon
vroegrijp en vertoont soms een niet bij zijn/haar leeftijd passend
seksueel gedrag tegenover andere kinderen of volwassenen.
Het kind heeft onverklaarbare verwondingen
en kan zich soms zelf opzettelijk verwonden.
Het kind vertelt dat het stemmen hoort
die tegen hem/haar praten. De stemmen kunnen vriendelijk zijn
of boos en kunnen komen van denkbeeldige kameraadjes of klinken
als stemmen van ouders, vriendjes of leerkrachten.
Het kind heeft een levendig denkbeeldig
kameraadje of kameraadjes. Het kind kan beweren dat een denkbeeldig
kameraadje verantwoordelijk is voor datgene wat het zelf heeft
gedaan.
Het kind heeft, vaak zonder duidelijke
oorzaak, enorme woede-uitbarstingen en kan op die momenten een
ongewone lichaamskracht vertonen.
Het kind slaapwandelt regelmatig.
Het kind heeft ongewone nachtelijke ervaringen.
Bijvoorbeeld: het vertelt dat het 'geesten' ziet of dat er 's
nachts dingen gebeuren die het niet kan verklaren (gebroken speelgoed,
onverklaarbare lichamelijke verwondingen).
Het kind praat regelmatig in zichzelf,
kan een andere stem gebruiken en heeft soms een woordenwisseling
met zichzelf.
Het kind heeft twee of meer duidelijk van
elkaar verschillende persoonlijkheden die de controle over het
gedrag van het kind overnemen.
Literatuur: Joke
Lijnse & Ton Collé, Ik in meervoud - Over de dissociatieve
identiteitsstoornis (voorheen MPS), H. Nelissen, Baarn, 1997,
ISBN 90-244-1388-5
Een overzichtsartikel over dissociatie bij kinderen, door dr.
Barreda-Hanson