Child Dissociative Checklist (CDC)

(Versie 3.0 - februari 1990)

Een dissociatieve stoornis bij kinderen vaststellen is heel lastig, vooral omdat symptomen ook bij "normale" kinderen worden vastgesteld. Het gaat erom te bepalen wat nog normaal gedrag is en waar een grens wordt gepasseerd waardoor van een stoornis kan worden gesproken, en behandeling gewenst is. De Child Dissociative Checklist is de meest gezaghebbende checklist die als hulpmiddel hierbij kan worden gebruikt, en bestaat uit een lijst van 20 vragen.

Deze lijst, ontwikkeld door Frank Putnam, is niet zozeer bedoeld voor het stellen van een diagnose DIS, mar eerder als een hulpmiddel om kinderen die de genoemde gedragingen vertonen nader te onderzoeken, omdat het vermoeden van een dissociatieve stoornis gerechtvaardigd is.Het is de bedoeling dat de lijst wordt ingevuld door iemand die vertrouwd is met het gedrag dat het betrokken kind in een aantal verschillende situaties vertoont. Vaak zullen dat dus de ouders, pleegouders of leerkrachten zijn.

In de instructies bij de CDC staat aangegeven dat bij elke vraag gekozen moet worden uit drie mogelijkheden:

Dat antwoord dat het gedrag van het kind over de afgelopen twaalf maanden het best benadert moet omcirkeld worden.
Een score van 12 of hoger betekent dat er zeer waarschijnlijk sprake is van belangrijke dissociatieve symptomen.


Vragenlijst

  1. Het kind ontkent of herinnert zich geen traumatische of pijnlijke ervaringen waarvan bekend is dat deze hebben plaatsgevonden.
  2. Het kind raakt bij tijden in een verdoving of trance-achtige toestand of lijkt vaak afwezig. Leerkrachten rapporteren dat het regelmatig dagdroomt op school.
  3. Het kind vertoont snelle persoonlijkheidswisselingen. Het kan omslaan van verlegen naar extravert, van vrouwelijk naar mannelijk gedrag, van timide naar agressief gedrag.
  4. Het kind is ongewoon vergeetachtig of verward over dingen die het zou moeten weten. Bijvoorbeeld: het vergeet de namen van vrienden, leerkrachten of andere belangrijke mensen, verliest spullen of verdwaalt snel.
  5. Het kind heeft heel weinig gevoel van tijd. Het verliest stukken tijd, denkt dat het ochtend is terwijl het al middag is, raakt verward over wat voor dag het is of raakt verward over wanneer iets gebeurd is.
  6. Het kind vertoont van dag-tot-dag of zelfs van uur-tot-uur duidelijke wisselingen in zijn/haar vaardigheden, kennis, voedselvoorkeuren. Bijvoorbeeld: verschillen in handschrift; het onthouden van eerder geleerde informatie, zoals tafels van vermenigvuldiging, spelling; het gebruik van gereedschap of artistieke vaardigheden.
  7. Het kind vertoont snelle regressies in leeftijd wat betreft zijn/haar gedrag. Bijvoorbeeld: een twaalfjarige gebruikt kindertaal, zuigt op zijn/haar duim of tekent als een vierjarige.
  8. Het kind heeft het moeilijk met het leren van ervaringen. Bijvoorbeeld: uitleg, normale correcties of straf veranderen niets aan zijn/haar gedrag.
  9. Het kind liegt voortdurend en ontkent wangedrag, zelfs wanneer het bewijs duidelijk is.
  10. Het kind verwijst naar hem- of haarzelf in de derde persoon (bijvoorbeeld: als 'zij' of 'haar') wanneer het over zichzelf praat, of wil soms per se bij een andere naam genoemd worden. Het beweert zelfs dat dingen die het heeft gedaan in werkelijkheid door een andere persoon zijn meegemaakt.
  11. Het kind heeft snel veranderende lichamelijke klachten, zoals hoofdpijn of een maag die van streek is. Bijvoorbeeld: het kan het ene moment klagen over hoofdpijn en dit het volgende moment al weer vergeten zijn.
  12. Het kind is op seksueel gebied ongewoon vroegrijp en vertoont soms een niet bij zijn/haar leeftijd passend seksueel gedrag tegenover andere kinderen of volwassenen.
  13. Het kind heeft onverklaarbare verwondingen en kan zich soms zelf opzettelijk verwonden.
  14. Het kind vertelt dat het stemmen hoort die tegen hem/haar praten. De stemmen kunnen vriendelijk zijn of boos en kunnen komen van denkbeeldige kameraadjes of klinken als stemmen van ouders, vriendjes of leerkrachten.
  15. Het kind heeft een levendig denkbeeldig kameraadje of kameraadjes. Het kind kan beweren dat een denkbeeldig kameraadje verantwoordelijk is voor datgene wat het zelf heeft gedaan.
  16. Het kind heeft, vaak zonder duidelijke oorzaak, enorme woede-uitbarstingen en kan op die momenten een ongewone lichaamskracht vertonen.
  17. Het kind slaapwandelt regelmatig.
  18. Het kind heeft ongewone nachtelijke ervaringen. Bijvoorbeeld: het vertelt dat het 'geesten' ziet of dat er 's nachts dingen gebeuren die het niet kan verklaren (gebroken speelgoed, onverklaarbare lichamelijke verwondingen).
  19. Het kind praat regelmatig in zichzelf, kan een andere stem gebruiken en heeft soms een woordenwisseling met zichzelf.
  20. Het kind heeft twee of meer duidelijk van elkaar verschillende persoonlijkheden die de controle over het gedrag van het kind overnemen.

Literatuur: Joke Lijnse & Ton Collé, Ik in meervoud - Over de dissociatieve identiteitsstoornis (voorheen MPS), H. Nelissen, Baarn, 1997, ISBN 90-244-1388-5

Een overzichtsartikel over dissociatie bij kinderen, door dr. Barreda-Hanson