De diagnose van dissociatieve stoornissen gebeurt doorgaans volgens de Diagnostic and Statical Manual of Mental Disorders 4th edition (DSM-IV, zie hiervoor ook het artikel uit de Caleidokrant), uitgegeven onder verantwoordelijkheid van de American Psychiatric Association. Diagnostische categorieën, criteria en beschrijvingen kunnen alleen goed worden toegepast door diegenen die voldoende opleiding en ervaring hebben in het stellen van een psychiatrische diagnose. Een symptoomprofiel geeft een beknopt beeld van de dissociatieve symptomen volgens DSM-IV, afgezet tegen de onderscheiden dissociatieve stoornissen.
De DSM-IV richt zich vooral op de clinische diagnostiek aan de hand van symptoomherkennning. Er zijn (vooral experimenteel) psychologen die de diagnostiek van ondermeer dissociatieve symptomen in twijfel trekken; daarnaast is er soms huiver om een dissociatieve diagnose te stellen omdat de behandelstrategieën in het algemeen langdurig en daarom kostbaar zijn. De patiënt kan daar veel last van ondervinden.
Er zijn factoren die de diagnostiek bemoeilijken, met name omdat sommige dissociatieve symptomen ook bij tal van andere psychiatrische stoornissen kunnen voordoen als secundair, meer geïsoleerd symptoom; en patiënten met dissociatieve stoornissen (vooral DIS en DS-NAO) hebben, afgezien van de dissociatieve symptomen, vaak veel kenmerken of klachten behorend bij andere psychiatrische stoornissen. Symptomen van somatoforme stoornissen (zoals conversiestoornis en pijnstoornis) worden soms in combinatie met dissociatieve stoornissen gerapporteerd. Niet zelden hebben mensen die uiteindelijk "dissociatief gediagnostiseerd" worden een lange voorgeschiedenis van de meest uiteenlopende "misdiagnoses" die niet blijken te hebben geholpen of zelfs averechts effect hebben gehad. Diagnose van een dissociatieve stoornis bij kinderen is nog extra gecompliceerd.
Er zijn inmiddels diverse hulpmiddelen voor screening en diagnose beschikbaar, die bovendien in allerlei onderzoek zijn gevalideerd. De DSM-IV is daarbij vrijwel steeds het uitgangspunt geweest. Bekende diagnostische hulpmiddelen zijn:
De meeste zijn zowel in het Engels als het Nederlands beschikbaar.
Diagnose van dissociatieve stoornissen wordt soms gecombineerd met een zogenaamde "differentiaal-diagnostiek", bijvoorbeeld voor DIS versus persoonlijkheidsstoornissen.
Sommige hulpmiddelen (DES, CDC) zijn vooral bedoeld voor screening (d.i. voor het verkrijgen van een eerste redelijk betrouwbare indicatie) en kunnen ook door minder ervaren personen worden gebruikt; met die middelen wordt overigens géén diagnose gesteld, maar kan wèl worden vastgesteld of het vermoeden van een dissociatieve stoornis gerechtvaardigd is.
De SCID-D test is alleen te gebruiken door professionele hulpverleners, die getraind zijn in het diagnostiseren van dissociatieve stoornissen.
Een woord van waarschuwing bij het gebruik van deze hulpmiddelen: Er zijn hulpverleners die geen voorstander zijn van "zelfdiagnostiek", omdat zij menen dat men dan al snel, door "teveel van het onderwerp te weten" vooringenomen wordt bij het stellen van een diagnose. Hoewel een goede diagnosesteller veel meer informatie gebruikt dan alleen de directe antwoorden op de directe vragen, lijkt het ons goed te weten dat deze opvattingen bestaan.
Literatuur: Suzette Boon & Nel Draijer: Screening en diagnostiek van dissociatieve stoornissen, Swetz & Zeitlinger, 1995, ISBN 90-265-1428-X