De dissociatieve identiteitsstoornis (DIS; voorheen meervoudige persoonlijkheids-stoornis of MPS) is de bekendste dissociatieve stoornis.
De stoornis wordt gekenmerkt door een onvermogen verschillende aspecten van de identiteit, het geheugen en het bewustzijn te integreren. Elke persoonlijkheidstoestand (identiteit of alter) kan worden ervaren alsof deze een afzonderlijke persoonlijke geschiedenis, een eigen zelfbeeld en identiteit heeft, met inbegrip van een eigen naam. Dit kan ook betekenen: een eigen leeftijd, sekse en seksuele geaardheid, zelfbeeld, religieuze overtuiging, en zelfs eigen fysiologische kenmerken zoals gezichtsvermogen en reactie op medicatie.
De verschillende identiteiten hebben vaak ook elk een eigen geheugeninhoud, die een beperkt deel van de historie van het individu beslaat; zij zijn zich niet altijd van elkaars bestaan bewust. In veel gevallen is er wel sprake van een zogenaamde primaire identiteit die de gegeven naam van het individu draagt, en soms een verbinding tussen de identiteiten (maar niet noodzakelijk alle) vormt.
Het hebben van DIS blijkt vrijwel altijd samen te gaan met een verleden van ernstige en aanhoudende traumatisering in de vroege jeugd, waarin de identiteit van de persoon nog gevormd moet worden (in het algemeen tot het achtste levensjaar). Het kan hierbij gaan om emotionele verwaarlozing, psychisch, fysiek of seksueel geweld (waaronder incest) of combinaties hiervan, in het gezin van herkomst of in de ruimere leefomgeving van het kind of beide.
In die eerste levensjaren probeert een kind indrukken en ervaringen te associëren, en vormt zodoende mede de basis voor zijn of haar toekomstige persoonlijkheid en bewustzijn: het "ik-besef". Wanneer dit proces te ernstig en aanhoudend wordt verstoord, kan dit blijvende gevolgen voor de geestelijke ontwikkeling van het kind hebben, waaronder het blijvend onvermogen bepaalde aspecten met elkaar in verband te kunnen brengen (dissociatie vs. associatie).
Wetenschappelijk onderzoek naar de biologische gevolgen van post-traumatische stress stoornis (PTSS) heeft aangetoond dat tijdelijke of blijvende veranderingen op neurobiologisch gebied kunnen optreden, met name in het gebied van de hippocampus, die gepaard gaan met dissociatieve verschijnselen. In combinatie met de persoonlijkheidsvorming op heel vroege leeftijd kan dit ertoe leiden dat een kind een dissociatieve stoornis ontwikkelt.
Voorbeelden en kenmerken
De kenmerken volgens het DSM-IV classificatiesysteem zijn:
Kenmerken die hiermee vaak samen gaan zijn: depressieve symptomen, verstoring van persoonlijke of professionele relaties, seksuele dysfunctie, angst, schaamte, schuldgevoelens, en soms ook verdergaande kenmerken als zelfbe-schadiging en suïcidale gedachten of suïcidepogingen.
Caleidoscoop geeft een aparte brochure uit met voorbeelden van DIS.
Onderscheid met andere (dissociatieve) stoornissen
Bij DIS is steeds sprake van meerdere identiteiten en identiteitsverwarring, en ernstige, herhaalde periodes van amnesie (geheugenverlies). Het aantal gerapporteerde identiteiten kan variëren van twee tot meer dan honderd; in dat laatste geval spreekt men wel van polyfragmentatie. Sommige identiteiten manifesteren zich alleen als "stemmen" aan een andere identiteit.
Er was (en is nog steeds) veel verwarring met schizofrenie, hoewel er voldoende goede diagnostische onderscheidende criteria zijn. Begrippen als "gespleten persoonlijkheid" en de soms ongenuanceerde benadering in de media helpen die verwarring in stand te houden. De behandeling van DIS verschilt aanzienlijk van die van schizofrenie.
Er zijn vaak overeenkomstige symptomen met persoonlijkheidsstoornissen, zoals de borderline persoonlijkheidsstoornis. Dit kan zeer verwarrend zijn voor zowel de cliënt als de behandelaar. Sommige behandelaars wensen geen onderscheid te maken tussen dissociatieve en persoonlijkheidsstoornissen.
Helaas zijn er ook nog steeds behandelaars die het bestaan van dissociatieve stoornissen, ondanks goede diagnostische criteria en wetenschappelijk onderzoek, ontkennen.
Diagnose en behandeling
Diagnose gebeurt doorgaans via gestructureerde interviewtechnieken. Een van de meest gebruikte technieken hierbij is de SCID-D test.
De behandeling van DIS bestaat doorgaans uit drie fasen, waarvan de laatste niet altijd worden doorlopen (hiervoor kunnen vele redenen zijn):
Een DIS-behandeling is doorgaans langdurig (vele jaren) en intensief (een tot twee sessies per week). Tussentijdse "terugval"-periodes zijn niet ongebruikelijk.
De behandeling is ambulant; opname vindt soms voor korte duur plaats, bijvoorbeeld in verband met heftige herbelevingen, of omdat de leefomgeving van de cliënt een te grote belemmering vormt voor een effectieve therapie.